Augustus 2026
Wie vertrekt bepaalt de krapte
Niet banengroei maar vervanging bepaalt welke beroepen tot 2030 krap blijven: gemiddeld vertrekt 2,8% van de werkenden per jaar, bij slagers 8,1%.
Samenvatting
In het vierde kwartaal van 2024 waren van de 93 beoordeelde beroepsgroepen er 34 krap en 56 zeer krap; 2 waren gemiddeld en 1 was ruim. Voor 32 van de 112 groepen voorspelt het ROA verdere verkrapping tot 2030. Wat die groepen onderscheidt is zelden banengroei en meestal vertrek: gemiddeld moet 2,8% van de werkenden per jaar worden vervangen, bij slagers 8,1%, de hoogste van alle beroepsgroepen, en bij adviseurs marketing, public relations en sales 1,1%. Slagers kennen vrijwel geen banengroei en blijven toch krap; de adviseurs worden iets minder krap. Vertegenwoordigers en inkopers krimpen met 1.900 werkenden en blijven niettemin aan de krappe kant. De drie beoordeelde ICT-groepen, samen 518.400 werkenden, waren eind 2024 alle zeer krap en worden tot 2030 alle iets minder krap; bij gebruikersondersteuning ict was dat in het derde kwartaal van 2025 al zichtbaar. Bij vijf technische beroepsgroepen is de voorspelde afkoeling in dat kwartaal juist nog niet terug te zien in de Spanningsindicator.
Wat de slager laat zien
Nederland telt 8.800 slagers. Het vak groeit vrijwel niet, en toch blijft de arbeidsmarkt voor slagers tot 2030 krap. De verklaring zit niet in nieuwe banen maar in vertrek: elk jaar moet 8,1% van de slagers worden vervangen, de hoogste vervangingsvraag van alle 112 beroepsgroepen. Het gemiddelde over alle beroepen ligt op 2,8% per jaar.
Dat voorbeeld staat niet op zichzelf. Voor de meeste krappe beroepen is vertrek, niet groei, de motor achter de vacatures.
De cijfers komen uit twee bronnen die eind 2025 aan elkaar zijn gelegd. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) publiceerde op 25 november 2025 zijn tweejaarlijkse prognose De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030. UWV legde die prognose op 18 december 2025 naast de eigen Spanningsindicator in de publicatie Ontwikkeling krapte naar beroep 2024-2030. Daarmee is voor het eerst per beroepsgroep te zien hoe de huidige krapte zich tot 2030 ontwikkelt.
Wat de cijfers zeggen
De koppeling beslaat 112 beroepsgroepen volgens de BRC-indeling. Voor 19 daarvan berekent UWV geen representatieve Spanningsindicator, bijvoorbeeld voor kassamedewerkers, van wie 66% scholier of student is. Er blijven 93 beoordeelde groepen over.
De uitgangssituatie is eenzijdig. In het vierde kwartaal van 2024 was de arbeidsmarkt voor 1 groep ruim, voor 2 gemiddeld, voor 34 krap en voor 56 zeer krap. Dus 90 van de 93 beoordeelde groepen zaten aan de krappe kant. Voor 32 van de 112 groepen geldt bovendien dat de markt nu (zeer) krap is en volgens de prognose tot 2030 verder verkrapt.
Binnen dat beeld sorteert de vervangingsvraag. Slagers staan met 8,1% per jaar bovenaan, gevolgd door buschauffeurs en trambestuurders met 7,0%. Onderaan staan adviseurs marketing, public relations en sales: 1,1% per jaar, tegen 2,8% gemiddeld. Hun markt was eind 2024 krap en wordt tot 2030 iets minder krap, ondanks de vraag naar commercieel personeel.
Het scherpste bewijs komt van beroepen die krimpen en toch krap blijven. Het aantal vertegenwoordigers en inkopers daalt van 2025 tot en met 2030 met 1.900 werkenden, een negatieve uitbreidingsvraag. Toch gaat hun typering van zeer krap naar iets minder krap, niet naar ruim. Hoveniers, tuinders en kwekers verliezen 3.600 banen in zes jaar en verkrappen zelfs, want er moeten in dezelfde periode 19.800 mensen worden vervangen.
Waarom vertrek zwaarder weegt dan groei
Baanopeningen ontstaan op twee manieren: een beroep groeit, of mensen verlaten het. UWV noemt als oorzaken van dat vertrek pensionering, arbeidsongeschiktheid, zorgtaken en de overstap naar een ander beroep. In een land waar 19,9% van de werkenden 55 tot 64 jaar is, het cijfer waarmee De vervangingsvraag in deze bibliotheek begon, is de tweede stroom structureel groter dan de eerste.
De prognose laat dat op beroepsniveau zien. Leerkrachten basisonderwijs moeten tot 2030 43.300 vervangingen verwerken, gemiddeld 4,4% per jaar, en hun markt blijft volgens de prognose krap. Sportinstructeurs zitten op 2,1% en worden iets minder krap. Bij managers zorginstellingen (1,7%) verwacht het ROA om dezelfde reden ontspanning. Bij managers ict groeit de werkgelegenheid juist snel, maar weegt een vervangingsvraag van 1,2% per jaar daar niet tegenop: per saldo neemt ook daar de krapte af. Waar de uitstroom laag is, koelt de markt af. Waar die hoog is, blijft hij krap, vrijwel los van wat de werkgelegenheid doet.
Waar prognose en meting botsen
De twee instrumenten vertellen niet overal hetzelfde verhaal. Van de 24 technische beroepsgroepen waren er eind 2024 16 zeer krap en 7 krap; alleen hulpkrachten bouw en industrie zaten op gemiddeld. De prognose verwacht dat 12 groepen verder verkrappen, dat de krapte bij 7 vrijwel gelijk blijft en dat 5 groepen minder krap worden, het sterkst lassers en plaatwerkers.
Maar die laatste beweging is nog niet gemeten. UWV schrijft: "We zien deze voorspelde afname in de krapte voor deze vijf technische beroepsgroepen echter vooralsnog niet terug in de UWV Spanningsindicator in het derde kwartaal 2025."
In ICT is het omgekeerde gebeurd. De drie beoordeelde ICT-groepen, databank- en netwerkspecialisten (93.400 werkenden), software- en applicatieontwikkelaars (371.500, de grootste beroepsgroep van het land) en gebruikersondersteuning ict (53.500), waren eind 2024 alle drie zeer krap. Alle drie worden volgens de prognose iets minder krap, vooral door een lage vervangingsvraag. En bij gebruikersondersteuning ict was dat in het derde kwartaal van 2025 al zichtbaar: de typering zakte van zeer krap naar krap. Samen tellen de drie groepen 518.400 werkenden; de vierde ICT-groep, radio- en televisietechnici, heeft geen representatieve indicator en telt hier niet mee.
Prognose en meting sporen dus in het ene beroepsdomein wel en in het andere nog niet. Dit paper laat beide lezingen staan, elk met bron en peilmoment erbij.
Krapte heeft een postcode
Nieuw in de editie van 2025 zijn regionale prognoses per beroep, berekend door het ROA en gefinancierd door UWV. De provinciale krapte is daarbij gemeten als het gemiddelde van alle vier de kwartalen van 2024, niet als het vierde kwartaal alleen. Wie provinciale en landelijke cijfers naast elkaar legt, vergelijkt dus twee peilmomenten.
Groningen had in 2024 de minst krappe arbeidsmarkt van de twaalf provincies, terwijl juist daar 19% van de werkenden een zorg- of welzijnsberoep heeft, tegen 15% landelijk. Voor artsen, therapeuten en gespecialiseerd verpleegkundigen verwacht het ROA ontspanning in Groningen, Utrecht en Gelderland; in de andere negen provincies blijft die markt krap of verkrapt hij verder. Ingenieurs zijn in 11 provincies zeer krap en alleen in Groningen krap.
De regionale cijfers hebben een ondergrens: waar het aantal ondervraagde werkenden in de Enquete Beroepsbevolking gemiddeld over twee jaar onder de 40 ligt, publiceert het ROA geen prognose. Dekking per segment is dus iets om te tellen, niet om aan te nemen.
Wat dit in de praktijk betekent
- Kijk bij een krap beroep eerst naar de vervangingsvraag en dan pas naar banengroei. Gemiddeld vertrekt 2,8% per jaar; alles daarboven houdt een beroep moeilijk vervulbaar, ook zonder groei.
- Een krimpend beroep is geen ruim beroep. Vertegenwoordigers en inkopers verliezen 1.900 banen tot 2030 en blijven aan de krappe kant; hoveniers verliezen 3.600 banen en verkrappen.
- Reken in ICT op echte, al gemeten ontspanning: gebruikersondersteuning ict zakte in het derde kwartaal van 2025 van zeer krap naar krap.
- Loop in de techniek niet vooruit op de voorspelde afkoeling. Die is in het derde kwartaal van 2025 nog niet zichtbaar in de Spanningsindicator.
- Beloof regionale verlichting in de zorg alleen waar de prognose die geeft: Groningen, Utrecht en Gelderland. Voor de andere negen provincies is daar geen basis voor.
Methode en bronnen
De prognosecijfers komen uit De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030 van het ROA, gepubliceerd op 25 november 2025. Dat rapport mag niet worden overgenomen; de onderliggende dataset in het Arbeidsmarktinformatiesysteem staat op DataverseNL onder DOI 10.34894/DVQTOG, versie 4.0 van 25 november 2025, en is gepubliceerd onder CC BY 4.0. De koppeling met de huidige krapte komt uit Ontwikkeling krapte naar beroep 2024-2030 van UWV, 18 december 2025. UWV vermeldt bij die uitgave dat alles eruit mag worden overgenomen, uitsluitend met bronvermelding; alle UWV-cijfers hier zijn met die bronvermelding overgenomen.
De Spanningsindicator is de verhouding tussen openstaande vacatures en kortdurend werkzoekenden met een WW-uitkering die korter dan zes maanden loopt. De toekomstverwachting is de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening van het ROA. De landelijke uitgangssituatie is het vierde kwartaal van 2024; de provinciale cijfers zijn het gemiddelde van de vier kwartalen van 2024. Die twee peilmomenten zijn in dit paper niet door elkaar gebruikt.
Van de 112 beroepsgroepen zijn er 19 niet beoordeeld omdat de Spanningsindicator daar geen representatief beeld geeft, onder meer bij kassamedewerkers en bij laders, lossers en vakkenvullers, waar veel scholieren en studenten werken. Het totaal van 518.400 ICT-werkenden is de som van drie gepubliceerde groepscijfers en staat hier als som, niet als brontotaal. Het totaal van bijna 545.000 ICT-werkenden uit de publicatie omvat ook radio- en televisietechnici en is dus geen noemer voor de drie beoordeelde groepen.
De prognoses tot 2030 zijn verwachtingen, geen metingen. Waar prognose en Spanningsindicator elkaar in het derde kwartaal van 2025 tegenspreken, staat dat in de tekst met bron erbij. Het aandeel werkenden van 55 tot 64 jaar (19,9% in 2025) komt uit Eurostat lfsa_egan22d en is eerder gebruikt in De vervangingsvraag.
Bronnen
- ROA, De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030
- ROA, Arbeidsmarktinformatiesysteem, DataverseNL, CC BY 4.0
- UWV, Ontwikkeling krapte naar beroep 2024-2030, Overname toegestaan met bronvermelding
- Eurostat, employment by age (lfsa_egan22d), CC BY 4.0
Open publicatie van IPMERC Research. Vrij te gebruiken met bronvermelding.