September 2026
Het land van de tweede baan
983.000 werkende Nederlanders hadden in 2025 een tweede baan, 10,4% van alle werkenden. Dat is het hoogste aandeel van de EU, waar het gemiddelde op 4,1% staat.
Laatst bijgewerkt 31 augustus 2026
Samenvatting
Nergens in de EU stapelen zo veel mensen banen als in Nederland. In 2025 hadden 983.000 werkenden van 15 tot 64 jaar een tweede baan, 10,4% van alle werkenden, tegen een EU-gemiddelde van 4,1%. Denemarken volgt op 9,7%, Duitsland staat op 5,1%. De verklaring ligt dicht bij de deeltijdstructuur: waar hoofdbanen klein zijn, is ruimte om te stapelen. Voor werving is de tweede baan een onderschat signaal: bijna een miljoen mensen laten zien dat ze meer uren kunnen en willen werken dan hun hoofdbaan biedt.
Naast de vraag hoeveel mensen werken, is er de vraag hoeveel banen ze hebben. In Nederland is het antwoord opvallend vaak: meer dan een. Dit rapport meet de stapelaars en zet Nederland in het Europese rijtje.
Een op de tien werkenden stapelt
In 2025 hadden 983.000 Nederlandse werkenden van 15 tot 64 jaar naast hun hoofdbaan een tweede baan. Dat is 10,4% van alle werkenden, ruim een op de tien.
Het EU-gemiddelde is 4,1%; Nederland zit daar tweeenhalf keer boven. Alleen IJsland, buiten de EU, scoort met 11,4% hoger. Onderaan staan Italie met 0,8% en Bulgarije met 0,5%.
Waarom juist Nederland
De verklaring ligt dicht bij een ander Nederlands record, dat de bibliotheek eerder beschreef in het rapport over de urenreserve: nergens wordt zo veel in deeltijd gewerkt. Kleine hoofdbanen laten ruimte voor een tweede, en sommige sectoren zijn er zelfs op gebouwd, met roosters van enkele dagdelen per week.
De landen bovenaan de lijst zijn dan ook geen toeval: Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden combineren net als Nederland hoge arbeidsdeelname met flexibele urenpatronen. Onderaan staan landen waar een baan vrijwel altijd voltijds is en een tweede baan er logistiek nauwelijks bij past.
De tweede baan als wervingssignaal
Voor werving is de tweede baan informatie die vrijwel niemand gebruikt. Wie twee banen combineert, laat drie dingen zien: er zijn uren over, er is bereidheid die te werken, en het huidige hoofddienstverband biedt daarvoor kennelijk geen ruimte of geen reden.
Bijna een miljoen mensen geven dat signaal af. Voor werkgevers die met kleine contracten roosteren, is dezelfde populatie een risico in de andere richting: de eigen deeltijder met een tweede baan elders is al half binnen bij een andere werkgever, en een uitbreiding van uren daar is een vertrek hier.
Wat dit cijfer niet zegt
- Het motief ontbreekt. De statistiek telt banen, niet redenen. De specialist die ernaast doceert en de bezorger die twee kleine contracten stapelt om rond te komen, tellen allebei als een.
- Een tweede baan is niet per definitie beschikbare capaciteit. Wie al 40 uur maakt over twee banen, heeft geen uren over; wie twee keer 12 uur werkt, mogelijk wel. De urenkant staat in het rapport over de urenreserve, niet hier.
- Zelfstandige bijklussen naast een baan in loondienst vallen onder de definitie van de enquete; de grens met hobbymatig werk is in enquetes zacht.
Wat dit betekent
- Het citeerbare cijfer. 983.000 werkenden hadden in 2025 een tweede baan, 10,4% van het totaal en het hoogste aandeel van de EU. Het gemiddelde is 4,1%.
- Stapelen is hier normaal. Een kandidaat met twee banen is in Nederland geen bijzonderheid maar een op de tien. Wie ernaar vraagt in plaats van erop af te wijzen, leest er beschikbaarheid en werklust in.
- De urenreserve heeft een adres. Een deel van de stapelaars wil aantoonbaar meer uren dan de hoofdbaan biedt. Een groter contract aanbieden is goedkoper dan een nieuwe kandidaat zoeken.
- Kleine contracten lekken. Werkgevers die op dagdelen roosteren, delen hun personeel feitelijk met andere werkgevers. Het initiatief voor uitbreiding ligt bij wie het eerst vraagt.
Verantwoording
De teller komt uit Eurostat, dataset lfsa_e2ged, personen van 15 tot 64 jaar met een tweede baan, in duizenden. De noemer komt uit dataset lfsa_egan, alle werkzame personen van 15 tot 64 jaar. Beide referentiejaar 2025, geraadpleegd op 1 september 2026, licentie CC BY 4.0. Het aandeel van 10,4% is onze berekening uit die twee reeksen; Eurostat publiceert het aandeel niet rechtstreeks in deze dataset. Dezelfde noemerkeuze, 15 tot 64 jaar, is voor elk land gebruikt.
De enquete telt personen met meer dan een baan in de referentieweek, ongeacht omvang en motief van de tweede baan. Wat ontbreekt: de uren en motieven achter de tweede baan, en de uitsplitsing naar sector van hoofd- en bijbaan, die voor roosterende werkgevers het interessantst is en die deze dataset niet biedt.
Bronnen
- Eurostat (lfsa_e2ged), personen met een tweede baan, CC BY 4.0
- Eurostat (lfsa_egan), werkzame personen, CC BY 4.0
Open publicatie van IPMERC Research. Vrij te gebruiken met bronvermelding.