We use only the cookies needed to run the site and keep you signed in. No analytics, no advertising. Your answer covers anything optional we add later.

Cookie statement
IPMERC Research

September 2026

De rest zakte harder

Nederland heeft met 93 vacatures per 100 werklozen de krapste arbeidsmarkt van de EU. Het kwam daar niet door zelf krapper te worden, maar doordat elk ander krap land sneller ontspande.

Laatst bijgewerkt 2 september 2026

Samenvatting

In het vierde kwartaal van 2025 stonden in Nederland 377.000 vacatures tegenover 407.000 werklozen: 93 vacatures per 100 werklozen, de hoogste verhouding van de 24 lidstaten die beide reeksen publiceren. Malta volgt met 80, Duitsland met 66, Roemenie sluit met 6, oftewel achttien werklozen per vacature. Nederland stond op het Europese hoogtepunt van medio 2022 niet eerste maar derde, achter Tsjechie (186) en Duitsland (140). Sindsdien daalde de Nederlandse verhouding met 31%, tegen 53% in Duitsland, 60% in Oostenrijk en 72% in Tsjechie. Elders volgt die daling de economische groei (correlatie 0,70 over 24 landen), maar Nederland groeide over dezelfde periode met 2,1% juist traag. Wat Nederland apart zet is het niveau waarop het blijft hangen: een vacaturegraad van 4,0% tegen een eigen record van 3,3% van voor de pandemie, bij het hoogste deeltijdaandeel van de EU (42,3%).

Nederland heeft de krapste arbeidsmarkt van de Europese Unie. Eind 2025 stonden er 377.000 openstaande vacatures tegenover 407.000 werklozen, oftewel 93 vacatures per 100 werklozen. Geen andere lidstaat komt in de buurt van die verhouding van bijna een op een.

Dat is de kop. De vraag die ertoe doet is hoe Nederland daar terechtkwam, en het antwoord is niet dat de Nederlandse arbeidsmarkt krapper werd. Die ontspande, met 31% sinds 2022. Alleen ontspande de rest van Europa harder.

Wat de ranglijst zegt

93vacatures per 100 werklozen in Nederland, de hoogste verhouding van de EU
Nederland93
Malta80
Cyprus68
Duitsland66
Tsjechie53
Oostenrijk45
Slovenie43
Belgie42
Roemenie6
Openstaande vacatures gedeeld door werklozen, beide seizoengecorrigeerd, vierde kwartaal 2025. Eurostat jvs_q_nace2 (nijverheid, bouw en diensten) en une_rt_q (15 tot 74 jaar), 24 van de 27 lidstaten. Geraadpleegd op 2 september 2026.

Aan de andere kant van de lijst staat Roemenie met 6 vacatures per 100 werklozen, oftewel bijna achttien werklozen per openstaande vacature. Spanje zit op hetzelfde niveau, met 158.833 vacatures tegenover 2,5 miljoen werklozen. De spreiding binnen de EU is een factor zestien, en die spreiding is groter dan de beweging die welk land ook sinds 2022 heeft gemaakt.

Nederland steeg niet, de rest daalde

Op het Europese hoogtepunt, het tweede kwartaal van 2022, stond Nederland niet bovenaan. Tsjechie telde toen 186 vacatures per 100 werklozen, Duitsland 140, Nederland 135 en Oostenrijk 113. Nederland was derde.

Ruim drie jaar later is Tsjechie op 53 uitgekomen, Duitsland op 66 en Oostenrijk op 45. Nederland staat op 93. De Nederlandse verhouding daalde met 31%, de Duitse met 53%, de Oostenrijkse met 60% en de Tsjechische met 72%. Van de 24 landen met bruikbare reeksen daalde de verhouding er in zestien en steeg ze in acht.

De Nederlandse daling zelf is gewoon. Het aantal vacatures liep terug van 460.100 naar 377.000, een daling van 18,1%, en het aantal werklozen liep op van 340.000 naar 407.000, een stijging van 19,7%. Beide bewogen de kant op die je bij afkoeling verwacht. Wat ongewoon is, is dat ze zo weinig bewogen vergeleken met de rest.

Waarom groei het elders verklaart en hier niet

De gangbare verklaring voor de afkoeling is economische groei: waar de productie stilviel, viel de vraag naar arbeid mee stil. Over de 24 landen klopt dat goed. De correlatie tussen de reele groei van het bruto binnenlands product tussen het tweede kwartaal van 2022 en het vierde kwartaal van 2025 en de verandering in de verhouding vacatures per werkloze is 0,70. Duitsland (0,2% krimp), Oostenrijk (0,9% krimp) en Finland (0,3% groei) stonden stil en zagen hun krapte instorten. Malta (20,6%), Cyprus (14,2%) en Kroatie (12,7%) groeiden hard en werden krapper.

Nederland past niet in dat verband. De Nederlandse economie groeide over diezelfde periode met 2,1%, het achtste zwakste cijfer van de 27 lidstaten, en toch bleef de krapte er het best overeind van alle landen die in 2022 boven de 100 stonden. Wie de trage groei van Nederland als voorspeller gebruikt, verwacht een Duitse val en krijgt hem niet.

Over een langer venster kantelt dat beeld deels. Sinds het vierde kwartaal van 2019 groeide Nederland met 9,7%, tegen 1,1% in Duitsland, 1,5% in Finland en 4,0% in Oostenrijk. Nederland heeft de pandemiejaren dus beter doorstaan dan zijn buren, maar de laatste ruim drie jaar niet. De keuze van het beginjaar bepaalt of groei de Nederlandse positie verklaart, en dat is precies de reden om er niet op te leunen.

Wat Nederland dan wel apart zet

Twee dingen, allebei structureel.

Het eerste is het niveau. De Nederlandse vacaturegraad stond eind 2025 op 4,0%, tegen 3,5% in Belgie, 2,9% in Oostenrijk en 2,6% in Duitsland. De EU-mediaan is 1,9%. Belangrijker is de vergelijking met het eigen verleden: 4,0% ligt boven het Nederlandse record van voor de pandemie, 3,3% in het derde en vierde kwartaal van 2019. Zes lidstaten stonden eind 2019 op of boven 3,1%, namelijk Belgie, Tsjechie, Duitsland, Letland, Nederland en Oostenrijk. Vijf daarvan zitten inmiddels onder hun eigen piek van 2015 tot 2019. Nederland is de enige die erboven zit.

Het tweede is deeltijd. Van de Nederlandse werkenden van 15 tot 64 jaar werkte eind 2025 42,3% in deeltijd, ruim vier keer de EU-mediaan van 9,4% en veruit het hoogste aandeel van de Unie. Dat is geen detail bij een vacaturetelling: hetzelfde volume werk vraagt meer mensen, dus meer vacatures, dus een hogere vacaturegraad bij gelijke vraag naar uren.

42,3%van de Nederlandse werkenden van 15 tot 64 jaar werkt in deeltijd
Nederland42,3%4,0%
Oostenrijk30,6%2,9%
Duitsland29,8%2,6%
Belgie25,7%3,5%
EU-mediaan9,4%1,9%
Deeltijdaandeel in de werkzame bevolking van 15 tot 64 jaar, seizoengecorrigeerd, vierde kwartaal 2025, met achter elk land de vacaturegraad van hetzelfde kwartaal. Eurostat lfsi_pt_q (27 landen) en jvs_q_nace2 (26 landen). Correlatie tussen beide reeksen 0,60.

Over 26 landen is de correlatie tussen deeltijdaandeel en vacaturegraad 0,60. Dat is een verband, geen bewijs van richting: een krappe markt kan mensen ook in deeltijd houden omdat ze het zich kunnen veroorloven. Maar het maakt aannemelijk dat een deel van de Nederlandse koppositie een meeteffect is van hoe Nederland zijn werk in banen knipt, en niet alleen van hoeveel werk er is.

Wat het cijfer niet telt

De verhouding zet vacatures af tegen werklozen, en werkloos is een smalle definitie: geen betaald werk, recent gezocht, direct beschikbaar. Wie in deeltijd werkt en meer uren wil, telt niet mee. In het tweede kwartaal van 2026 waren dat er in Nederland 568.000, tegen 396.000 werklozen. Tel die groep bij het aanbod op en de verhouding zakt van 95 naar 39 vacatures per 100 beschikbare mensen. Het cijfer waarmee Nederland bovenaan staat, is dus vooral een uitspraak over de smalste denkbare aanbodmaat.

Verder verschillen de bronnen. CBS telt voor het vierde kwartaal van 2025 384.000 vacatures over alle economische activiteiten, Eurostat 380.200 over dezelfde periode. Het verschil van 3.800 komt doordat de Europese aggregatie huishoudens als werkgever en extraterritoriale organisaties buiten beschouwing laat. UWV komt op een derde getal uit, omdat de spanningsindicator vacatures deelt door mensen die korter dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen. Dat is een kleinere noemer dan de werkloze beroepsbevolking, dus een hoger cijfer; UWV noemde de markt in het eerste kwartaal van 2026 nog krap. De drie cijfers zijn niet met elkaar te verrekenen en horen naast elkaar geciteerd te worden.

Ten slotte de dekking. Denemarken en Italie publiceren geen aantal vacatures, Estland geen seizoengecorrigeerde reeks, dus de ranglijst telt 24 van de 27 lidstaten. Dat verandert de uitkomst niet: Denemarken staat op de bedrijvensector op een vacaturegraad van 2,4% tegen 4,3% voor Nederland, Italie op 1,9% tegen 4,0% bij een ruim drie keer zo hoge werkloosheid, en Estland op 1,6% bij 6,6% werkloosheid. Geen van drieen kan Nederland van de eerste plaats halen.

95vacatures per 100 werklozen in Nederland in het tweede kwartaal van 2026
Vierde kwartaal 201967
Tweede kwartaal 2022142
Vierde kwartaal 202594
Tweede kwartaal 202695
Openstaande vacatures over alle economische activiteiten gedeeld door de werkloze beroepsbevolking, beide seizoengecorrigeerd. CBS StatLine 80474ned en 85224NED, geraadpleegd op 2 september 2026. Deze reeks loopt twee kwartalen verder dan de Europese.

Wat dit betekent

  • Het citeerbare cijfer. 93 vacatures per 100 werklozen in het vierde kwartaal van 2025, de hoogste verhouding van de EU. Voor Nederland alleen loopt de reeks verder: 95 per 100 in het tweede kwartaal van 2026, volgens CBS.
  • Gebruik het niet als bewijs van oplopende krapte. De Nederlandse verhouding daalde sinds medio 2022 met 31%. De eerste plaats is een relatieve positie, geen stijging.
  • De buren zijn wel ontspannen. Duitsland en Oostenrijk, in 2022 nog krapper dan of gelijk aan Nederland, zijn dat nu duidelijk minder. Wie over de grens werft, werft in een markt die harder is afgekoeld dan de eigen markt.
  • Het aanbod is breder dan de teller suggereert. 568.000 deeltijders willen en kunnen meer uren werken. Uren bijkopen bij bestaand personeel concurreert met werven, en het cijfer van 93 per 100 zegt niets over die route.
  • Blijf onder het landencijfer kijken. Een spreiding van factor zestien tussen lidstaten laat zien hoe weinig een gemiddelde zegt. Binnen Nederland geldt hetzelfde per sector en per beroep.

Verantwoording

De ranglijst is zelf berekend en niet overgenomen. Teller: het aantal openstaande vacatures uit Eurostat jvs_q_nace2, indicator JOBVAC, seizoengecorrigeerd, activiteiten B tot S (nijverheid, bouw en diensten), alle bedrijfsgroottes, vierde kwartaal 2025. Noemer: het aantal werklozen uit Eurostat une_rt_q, seizoengecorrigeerd, 15 tot 74 jaar, beide geslachten, hetzelfde kwartaal. Alle vergelijkingen in de tijd zetten gelijke kwartalen naast elkaar.

De uitkomst is getoetst op de ongecorrigeerde reeksen. Daar staat Nederland eveneens eerste, met 93 per 100, gevolgd door Malta (80) en Duitsland (74). De volgorde van de kopgroep verschuift dus niet met de correctiekeuze.

De vacaturegraad komt uit dezelfde dataset, indicator JVR, en is de verhouding tussen openstaande en alle vacatures plus bezette banen. De vergelijking met het eigen verleden gebruikt het maximum over 2015 tot en met 2019 per land. De groeicijfers komen uit Eurostat namq_10_gdp, kettingvolumes met basisjaar 2015, seizoen- en werkdaggecorrigeerd. Het deeltijdaandeel komt uit Eurostat lfsi_pt_q, 15 tot 64 jaar, aandeel in de werkzame bevolking, seizoengecorrigeerd. De genoemde correlaties zijn eenvoudige productmomentcorrelaties over de beschikbare landen, 24 voor groei en 26 voor deeltijd, en zijn beschrijvend bedoeld.

De Nederlandse reeks komt uit CBS StatLine, tabel 80474ned voor openstaande vacatures over alle economische activiteiten en tabel 85224NED voor de werkloze beroepsbevolking en de deeltijders die meer uren willen werken en daarvoor beschikbaar zijn, alle seizoengecorrigeerd. De UWV-spanningsindicator is genoemd met zijn eigen definitie en niet omgerekend.

Wat ontbreekt. Denemarken en Italie leveren geen aantal openstaande vacatures aan Eurostat, Estland geen seizoengecorrigeerde reeks, dus de ranglijst dekt 24 lidstaten. Denemarken rapporteert alleen op de bedrijvensector B tot N; op dat aggregaat staat Nederland op 4,3% en Denemarken op 2,4%. Op datzelfde aggregaat komt Belgie eveneens op 4,3% uit, dus de kop van de vacaturegraadranglijst hangt af van de gekozen sectorindeling. De ranglijst op vacatures per werkloze hangt daar niet van af: Nederland staat op 93, Belgie op 42.

De Europese vacaturecijfers zijn op 20 maart 2026 voor het laatst bijgewerkt en lopen tot en met het vierde kwartaal van 2025, terwijl de nationale rekeningen op 1 september 2026 tot het tweede kwartaal van 2026 liepen. De Europese vergelijking is daarom drie kwartalen ouder dan de Nederlandse cijfers in dit rapport, en dat is met opzet zo geciteerd in plaats van weggewerkt.

Aanleiding voor dit rapport was een bijdrage van Michel van Smoorenburg (UWV) in ESB van 28 augustus 2026 over de Nederlandse positie op de Europese krapteranglijst. Daar zijn geen cijfers uit overgenomen; alle getallen hierboven zijn opnieuw uit Eurostat, CBS en UWV gelezen, waarbij de uitkomst van de ranglijst overeenkomt en de verklaring afwijkt. Alle reeksen zijn geraadpleegd op 2 september 2026.

EuropaKrapteVacaturesAlle markten