We use only the cookies needed to run the site and keep you signed in. No analytics, no advertising. Your answer covers anything optional we add later.

Cookie statement
IPMERC Research

September 2026

Werkloos, maar niet lang

Van de Nederlandse werklozen is gemiddeld 37,0% een kwartaal later aan het werk, tegen 23,1% in de EU. Alleen Denemarken doet het beter.

Laatst bijgewerkt 31 augustus 2026

Samenvatting

Werkloosheid is in Nederland vooral een doorgangsfase. Over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026 was gemiddeld 37,0% van de werklozen een kwartaal later aan het werk, ruim een op de drie. Het EU-gemiddelde staat op 23,1%, en alleen Denemarken zit met 39,2% hoger. Op de piek van de krapte lag de Nederlandse uitstroom nog hoger: 41,5% over dezelfde kwartalen in 2022 en 2023. De andere kant is klein maar groeit: het aandeel werkenden dat werkloos raakt, steeg in een jaar van 1,0% naar 1,4% per kwartaal.

Naast de vraag hoeveel werklozen er zijn, is er een tweede vraag die voor werving meer uitmaakt: hoe snel stromen ze weer naar werk. Eurostat meet elk kwartaal wie van status wisselde. Dit rapport leest die stromen voor Nederland en zet ze naast de rest van Europa.

Ruim een op de drie is er binnen een kwartaal uit

Van de Nederlanders die in een kwartaal werkloos waren, is gemiddeld 37,0% het volgende kwartaal aan het werk. Dat gemiddelde loopt over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026. Het EU-gemiddelde over dezelfde periode is 23,1%.

37,0%van de Nederlandse werklozen is een kwartaal later aan het werk
Denemarken39,2%
Nederland37,0%
Duitsland27,2%
Frankrijk27,2%
Spanje26,9%
Zweden25,1%
EU-gemiddelde23,1%
Belgie23,2%
Gemiddelde overgang van werkloosheid naar werk per kwartaal, vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026. Eurostat, lfsi_long_q, niet-seizoengecorrigeerd, geraadpleegd op 1 september 2026.

Alleen Denemarken zit hoger, met 39,2%. Belgie, dat qua welvaart en ligging het dichtst bij Nederland staat, blijft steken op 23,2%: een Belgische werkloze heeft per kwartaal een ruim een derde kleinere kans op werk dan een Nederlandse.

De uitstroom koelt mee af

Op de piek van de krapte lag het Nederlandse tempo hoger. Over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2023 vond gemiddeld 41,5% van de werklozen binnen een kwartaal werk. Het meest recente losse kwartaal, het eerste van 2026, staat op 33,6%, het laagste punt in de vier gemeten kwartalen.

Tegelijk groeit de instroom in werkloosheid, van een lage basis. Van de werkenden raakte 1,0% werkloos in het tweede kwartaal van 2025; in het eerste kwartaal van 2026 was dat 1,4%. Kleine cijfers, maar de richting is dezelfde als die van de vacaturereeksen: de markt draait langzamer.

Waarom dit cijfer er voor werving toe doet

Een werkloze in Nederland is zelden lang beschikbaar. Bij een uitstroom van 37% per kwartaal is de kans groot dat een kandidaat die deze maand beschikbaar is, over drie maanden ergens anders werkt. Wie een selectieproces van drie maanden inricht voor kandidaten uit werkloosheid, selecteert vooral uit wie na drie maanden nog over is.

Het verklaart ook waarom het wervingsgesprek in Nederland structureel over werkenden gaat. De werkloze reserve is klein en stroomt snel door; het aanbod zit bij wie al een baan heeft, zoals de bibliotheek eerder liet zien bij de kwartaalcijfers over baanwisselaars.

Wat dit cijfer niet zegt

  • Het zijn enquetecijfers volgens de internationale definitie van werkloosheid. Wie niet actief zocht of niet beschikbaar was, telt als inactief, niet als werkloos. De overgangen sluiten daarom niet aan op de Nederlandse uitkeringsregistraties.
  • De Nederlandse werkloze basis is klein, dus kwartaalcijfers bewegen. Dit rapport middelt daarom steeds vier kwartalen en gebruikt niet-seizoengecorrigeerde reeksen.
  • Uitstroom naar werk is niet de enige uitweg. Een deel van de werklozen stroomt naar inactiviteit; dat deel staat niet in dit rapport.

Wat dit betekent

  • Het citeerbare cijfer. Gemiddeld 37,0% van de Nederlandse werklozen is een kwartaal later aan het werk, tegen 23,1% in de EU. Alleen Denemarken doet het beter.
  • Snelheid is hier de norm. Een beschikbare kandidaat is een tijdelijke toestand. Een proces dat maanden duurt, verliest kandidaten aan de markt zelf.
  • De reserve is een stroom, geen voorraad. Werven uit werkloosheid betekent werven uit een groep die zichzelf elk kwartaal voor ruim een derde ververst.
  • De afkoeling is zichtbaar, niet dramatisch. De uitstroom zakte van 41,5% naar 37,0% en de instroom in werkloosheid kroop van 1,0% naar 1,4% per kwartaal. Dezelfde richting als de vacaturecijfers, in een lager tempo.

Verantwoording

Alle cijfers komen uit Eurostat, dataset lfsi_long_q, arbeidsmarkttransities per kwartaal, niet-seizoengecorrigeerd, personen van 15 tot 74 jaar. De uitstroom is de overgang van werkloosheid naar werk als percentage van de werklozen in het voorgaande kwartaal; de instroom is de overgang van werk naar werkloosheid als percentage van de werkenden. Gemiddelden lopen over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026, en voor de piekvergelijking over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2023. Geraadpleegd op 1 september 2026, licentie CC BY 4.0.

De cijfers volgen de enquetedefinities van de Europese arbeidskrachtenenquete en zijn niet vergelijkbaar met uitkeringsstatistieken van UWV of de registerstromen van CBS. Landen met een kleine werkloze basis, waaronder Nederland, hebben beweeglijke kwartaalcijfers; het middelen over vier kwartalen dempt dat maar heft het niet op.

EuropaMobiliteitAlle markten

Bronnen

Open publicatie van IPMERC Research. Vrij te gebruiken met bronvermelding.

Bronnen en verantwoording