September 2026
Vergrijzing zonder uitkeringsgolf
Nederland telt 940.000 gepensioneerden meer dan in 2001 en toch minder uitkeringsontvangers per werkende dan in 2014. Het verschil zit bij de zestigers, die zijn blijven werken.
Laatst bijgewerkt 10 september 2026
Samenvatting
In november 2025 stonden er in Nederland 55,6 uitkeringsontvangers tegenover elke 100 werkenden: 39,6 met een pensioen en 16,0 met een socialezekerheidsuitkering. In 2014 waren het er 63,6. Sindsdien kwamen er 940.000 gepensioneerden bij ten opzichte van 2001 en steeg hun aandeel in de bevolking van 15,1% naar 18,6%, maar het aantal werkenden groeide harder, van 7,14 miljoen in 2014 naar 8,51 miljoen in 2025. Die groei zit vooral bij ouderen. Van de 60- tot 65-jarigen werkte in 2010 36,9%, in 2025 69,5%. Van de 65- tot 70-jarigen ging het van 12,1% naar 29,5%. Het aandeel 55- tot 65-jarigen met een pensioen als hoofdinkomen daalde van 18,9% in 2006 naar 2,9% in 2025, terwijl de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar ging. Het kabinet rekende op nog meer aanbod uit een een-op-eenkoppeling van de AOW-leeftijd, maar trok dat plan op 26 mei 2026 in. Wat overblijft, de strengere WW-toegang, raakt volgens UWV zo'n 12% van de nieuwe WW-gerechtigden, voor de helft mensen met een tijdelijk contract.
De rekening die niet kwam
De vergrijzing zou de verzorgingsstaat onder druk zetten: meer gepensioneerden, minder werkenden om ze te dragen. De eerste helft klopt. In november 2025 ontvingen 3,37 miljoen inwoners een pensioen als voornaamste inkomen, tegen 2,43 miljoen in 2001. Hun aandeel in de bevolking steeg van 15,1% naar 18,6%.
De tweede helft klopt niet. Het CBS telt elk jaar in november hoeveel mensen een uitkering hebben tegenover elke 100 mensen met werk als hoofdinkomen. In 2025 waren dat er 55,6, waarvan 39,6 met een pensioen en 16,0 met een uitkering uit de sociale zekerheid. Het hoogtepunt lag in 2014, op 63,6. Sinds 2022 beweegt het cijfer niet meer: 55,1, 54,9, 55,3, 55,6.
Een miljoen gepensioneerden erbij en toch minder uitkeringen per werkende dan tien jaar geleden: dat is de puzzel van dit paper, en de oplossing is dat de noemer harder groeide dan de teller.
Wat de cijfers zeggen
Het aantal inwoners met werk als hoofdinkomen steeg van 7,14 miljoen in 2014 naar 8,51 miljoen in 2025, een groei van 19,2%. Het aantal gepensioneerden groeide in dezelfde jaren van 3,08 naar 3,37 miljoen, 9,3%. Het aantal mensen met een socialezekerheidsuitkering, dus bijstand, WW, Wajong of arbeidsongeschiktheid, daalde van 1,46 naar 1,36 miljoen. Per 100 werkenden ging het pensioencijfer daardoor van 43,2 naar 39,6 en het socialezekerheidscijfer van 20,4 naar 16,0.
Bijna de helft van de hele bevolking, 47,0%, leefde in 2025 vooral van betaald werk. Het CBS noemt dat het hoogste aandeel in 25 jaar. De groep die niet werkt en geen uitkering heeft, vooral scholieren, studenten en partners zonder eigen inkomen, kromp van 33,5% van de bevolking in 2001 naar 26,9% in 2025.
De groei van het aantal werkenden zit voor een groot deel bij mensen boven de 55. In de arbeidskrachtenenquete werkten in 2010 1,15 miljoen mensen van 55 tot 65 jaar en in 2025 1,88 miljoen. Van de 65- tot 75-jarigen werkten er in 2010 127.000 en in 2025 412.000. Samen is dat ruim een miljoen extra werkende ouderen in vijftien jaar.
Waarom de zestigers bleven werken
De AOW-leeftijd stond tot en met 2012 op 65 jaar. Daarna steeg hij in stappen naar 66 jaar in 2018, 67 jaar in 2024 en 67 jaar en drie maanden in 2028. Wie in 2010 zestig was, kon op 65 met AOW. Wie in 2025 zestig is, moet tot 67 en drie maanden.
Het vroegpensioen verdween in dezelfde jaren. In 2006 had 18,9% van alle 55- tot 65-jarigen een pensioen als hoofdinkomen. In 2025 was dat 2,9%. De fiscale steun voor prepensioen en VUT was toen al afgebouwd, en de generatie die er nog recht op had, is inmiddels de 65 gepasseerd.
Het gevolg staat in de participatiecijfers. De netto arbeidsparticipatie van 60- tot 65-jarigen ging van 36,9% in 2010 naar 69,5% in 2025. Dat is bijna een verdubbeling in een groep die in 2025 1,21 miljoen mensen telt. Ook boven de AOW-leeftijd werkt een groeiende groep door: van de 65- tot 70-jarigen 29,5%, van de 70- tot 75-jarigen 10,7%.
De groei van de werkende bevolking komt dus niet alleen uit geboortecohorten of migratie. Ze komt uit een leeftijdsgroep die vijftien jaar geleden grotendeels was gestopt.
Wat ertegen pleit
Drie dingen halen de scherpte van het cijfer af.
Ten eerste is het cijfer een verhouding, geen last. De 3,37 miljoen gepensioneerden kosten meer dan de 2,43 miljoen van 2001, wat de verhouding ook doet. Dat een werkende in 2025 minder uitkeringsontvangers draagt dan in 2014 zegt niets over wat die uitkeringen kosten. Het pensioencijfer per 100 werkenden ligt bovendien nog altijd boven het niveau van 2001, toen het 34,7 was.
Ten tweede loopt het socialezekerheidscijfer sinds 2022 weer op, van 15,3 naar 16,0 per 100 werkenden. Het aantal lopende WW-uitkeringen steeg in 2025 met 9,5% naar 191.459 en stond eind juli 2026 op 199.700. De stabiliteit van het totaal verbergt dat het pensioendeel daalt en het uitkeringsdeel stijgt.
Ten derde telt het CBS hier inwoners met een uitkering als hoofdinkomen, in november, uit registers. Iemand die na de AOW-leeftijd doorwerkt en meer verdient dan zijn pensioen, telt als werkende. Gepensioneerden in het buitenland tellen niet mee. Het cijfer voor 2025 is voorlopig. En de arbeidskrachtenenquete waar de participatiecijfers uit komen, veranderde in 2021 van opzet, zodat 2010 en 2025 een reeksbreuk omspannen.
Nederland naast de buren
De stijging van de participatie boven de 55 is Europees, maar Nederland loopt voorop. Eurostat meet de arbeidsparticipatie van 55- tot 64-jarigen op 52,9% in 2010 en 75,8% in 2025, een stijging van 22,9 procentpunt. Alleen Belgie steeg harder, met 24,2 punten, vanaf een veel lager niveau. De EU-27 ging van 44,7% naar 66,4%.
Boven de 65 werken alleen de Noren, Denen en Zweden vaker door dan de Nederlanders. Nederland maakte wel de grootste sprong: van 9,5% naar 20,8%, 11,3 punten, tegen 11,4 in Denemarken en 11,2 in Duitsland. De verwachte duur van het arbeidsleven kwam in 2025 op 44,0 jaar, het langste van de negen landen en 5,1 jaar langer dan in 2010. In de EU als geheel is het 37,5 jaar.
De bezuiniging die op meer ouderen rekende
Het coalitieakkoord van januari 2026 leunde op meer arbeidsaanbod. De grootste post was een een-op-eenkoppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting vanaf 2033, goed voor €2,8 mrd structureel. Het CPB rekende het hele pakket door op 1,3% meer structurele werkgelegenheid in uren en 1,2% in personen, en schreef dat vooral toe aan die koppeling.
Op 26 mei 2026 stopte het kabinet met het AOW-voorstel, in een brief aan de vakbonden die ook naar de Kamer ging. De WW- en WIA-plannen zet het kabinet volgens dezelfde brief voorlopig niet in de voorgestelde vorm door. De doorrekening van het CPB is sindsdien niet overgedaan, en de AOW-post staat op 10 september 2026 nog in de budgettaire tabel zonder dekking.
Van de WW-plannen is de referte-eis het best doorgerekend. Wie nu WW wil, moet 26 van de laatste 36 weken hebben gewerkt; het akkoord maakt daar 42 van 52 weken van. UWV zegt in antwoord op Kamervragen van 31 augustus 2026 dat circa 12% van de mensen die in 2024 en in 2025 een WW-recht kregen, dat onder de nieuwe eis niet had gehad. Het CBS vond eerder 14% voor 2022 en 11% voor 2023. Van de groep die afvalt had 50% een tijdelijk contract, 27% een uitzendcontract en 14% een oproepcontract; 6% had een vast contract. Hun gemiddelde maandloon was €2.701, tegen €3.954 bij wie wel voldoet. Op 290.225 nieuwe WW-uitkeringen in 2025 is 12% ruwweg 35.000 per jaar; die rekensom is van ons, niet van UWV.
De maatregel die op de vergrijzing was gericht, is dus ingetrokken. Wat overblijft, raakt geen zestigers maar flexwerkers van gemiddeld 38 jaar.
Wat dit betekent in de praktijk
- De reserve boven de 60 is geen theorie. In 2025 werkten 844.000 mensen van 60 tot 65 en 412.000 van 65 tot 75. Wie oudere kandidaten uitsluit, sluit de snelst groeiende groep werkenden uit.
- De AOW-leeftijd blijft tot en met 2027 op 67 jaar en gaat in 2028 naar 67 jaar en drie maanden. Wie nu 62 is, staat nog vijf jaar op de markt. Plan een loopbaangesprek op die horizon, niet op 65.
- De strengere WW-toegang, als hij er komt, raakt voor de helft mensen met een tijdelijk contract en voor een kwart uitzendkrachten. Verwacht dat flexwerkers zwaarder gaan wegen wat een contract waard is, en dat een vaste aanstelling meer overtuigingskracht krijgt.
- De verkorting van de maximale WW-duur naar twaalf maanden zou het gemiddelde toegekende recht van twaalf naar zeven maanden brengen, en van 21 naar 11 maanden voor 55- tot 60-jarigen. Als die maatregel terugkomt, wordt de druk om snel een nieuwe baan te vinden het grootst bij oudere werkzoekenden.
- De verhouding is stabiel, de samenstelling niet. Het pensioendeel daalt, het uitkeringsdeel stijgt sinds 2022. Wie de arbeidsmarkt van 2027 wil lezen, kijkt naar de WW- en WIA-instroom, niet naar de vergrijzing.
Methode en bronnen
De aanleiding is het CBS-bericht van 8 september 2026, 56 uitkeringsontvangers op 100 werkenden, al vier jaar stabiel. De cijfers zijn gelezen uit de maatwerktabel die eronder ligt, Aantal uitkeringsontvangers op 100 werkenden, 2001-2025, uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden, peilmoment november. Werkende is daar een inwoner met inkomen uit werk als voornaamste inkomensbron, zonder leeftijdsgrens of urengrens; dat is een andere populatie dan de werkzame beroepsbevolking uit de arbeidskrachtenenquete, 8,51 miljoen tegen ruim 9,9 miljoen, en de twee zijn hier niet gemengd. Pensioenontvanger is een inwoner van 55 jaar of ouder met AOW, aanvullend pensioen, nabestaandenpensioen of lijfrente als hoofdinkomen. De jaren 2024 en 2025 zijn nader voorlopig en voorlopig.
Participatie: CBS StatLine 85267NED, arbeidsdeelname ouderen, netto arbeidsparticipatie en werkzame beroepsbevolking per leeftijdsgroep, jaargemiddelden 2015 tot 2025. Voor 2010 is de voorganger 82914NED gebruikt, die op de opzet van voor 2021 staat; in de overlappende jaren wijken de twee reeksen tot een procentpunt af. AOW-leeftijd: Rijksoverheid, AOW-leeftijd per jaar, en de wetten van 2012, 2015 en 2019 waarin de stappen zijn vastgelegd.
Europa: Eurostat lfsa_ergan, arbeidsparticipatie naar leeftijd, hele bevolking ongeacht nationaliteit, geslacht totaal, 2010 tot 2025, voor Nederland, Belgie, Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Finland, Zweden, Noorwegen en de EU-27. De tabel is naar nationaliteit uitgesplitst; zonder die dimensie op totaal te zetten komt de eerste categorie terug, EU-burgers, en valt Denemarken vanaf 2021 weg. Elk land heeft in 2021 een reeksbreuk door de nieuwe enqueteverordening; Frankrijk volgt vanaf 2021 een afwijkende definitie. Duur van het arbeidsleven: Eurostat lfsi_dwl_a, 2010 en 2025.
WW: UWV, Kwantitatieve informatie 2025 (lopende uitkeringen eind december, gemiddelde duur), Cijfers en trends januari 2026 en de tabellen bij de Nieuwsflits Arbeidsmarkt van juni 2026 (nieuwe uitkeringen per jaar, stand eind juni); het cijfer voor eind juli 2026 komt uit het gezamenlijke persbericht van CBS en UWV van 20 augustus 2026. UWV telt uitkeringen, geen personen, en de lopende uitkeringen bevatten ook rechten waarop niets wordt betaald. De analyse van de referte-eis staat in de antwoorden van de minister van SZW op vragen van het lid Patijn, 31 augustus 2026; UWV noemt de uitkomst een indicatie, omdat de loonaangifte uren per tijdvak kent en die gelijk over de weken zijn verdeeld. De CBS-analyse van de cohorten 2022 en 2023 waar het antwoord naar verwijst, Instroom werkloosheidsuitkeringen naar aantal weken gewerkt, is hier niet zelf gelezen.
Beleid: budgettaire tabel bij het coalitieakkoord van 30 januari 2026, regels 56, 57 en 60, en de antwoorden op feitelijke vragen van 24 februari 2026, tabellen 24 en 31. De intrekking van de AOW-koppeling en het opschorten van de WW- en WIA-plannen staan in de brief van het kabinet aan FNV, CNV en VCP van 26 mei 2026, in afschrift aan de Kamer gestuurd. Een formele aanpassing van de budgettaire tabel bestond op 10 september 2026 niet; de Miljoenennota van 15 september 2026 is het eerste document dat daarover uitsluitsel kan geven. CPB en PBL, Analyse Coalitieakkoord 2026-2030, februari 2026, pagina 16 en 17 voor de werkgelegenheidseffecten; die analyse dateert van voor de intrekking en is niet herhaald.
Onderwerpen en sectoren
VervangingsvraagOverheidEuropaAlle markten
Verwante papers
Bronnen
- CBS, 56 uitkeringsontvangers op 100 werkenden, al vier jaar stabiel, 8 september 2026, CC BY 4.0
- CBS maatwerk, Aantal uitkeringsontvangers op 100 werkenden, 2001-2025, CC BY 4.0
- CBS StatLine (85267NED), arbeidsdeelname ouderen, 2013 tot 2026, CC BY 4.0
- CBS StatLine (82914NED), arbeidsdeelname ouderen, 2003 tot 2022, CC BY 4.0
- Eurostat (lfsa_ergan), arbeidsparticipatie naar leeftijd, jaarlijks, CC BY 4.0
- Eurostat (lfsi_dwl_a), verwachte duur van het arbeidsleven, CC BY 4.0
- Rijksoverheid, AOW-leeftijd per jaar, CC0 1.0
- Minister van SZW, antwoord op Kamervragen over het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen, 31 augustus 2026, met de UWV-analyse van de referte-eis, Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- UWV, Kwantitatieve informatie 2025, Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- UWV, Cijfers en trends, januari 2026, Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- UWV, tabellen Nieuwsflits Arbeidsmarkt, juni 2026, Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- Kabinetsformatie 2025, budgettaire tabel en bijlage bij het coalitieakkoord, 30 januari 2026, Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- Rijksoverheid, antwoorden op feitelijke vragen over het coalitieakkoord en de budgettaire tabel, 24 februari 2026, CC0 1.0
- Kabinet, reactie op het ultimatum van de vakbeweging, 26 mei 2026 (Kamerstuk 36800-XV nr. 113), Geen algemene hergebruiklicentie, geciteerd met bronvermelding
- CPB en PBL, Analyse Coalitieakkoord 2026-2030, februari 2026, CC BY 3.0 NL
Open publicatie van IPMERC Research. Vrij te gebruiken met bronvermelding.