Nederland is het thuiswerkland van Europa. In 2025 werkte 11,3% van de werkenden van 15 tot 64 jaar gewoonlijk vanuit huis en 41,0% soms, samen 52,3%. Zweden volgt op afstand met 44,5% en het EU-gemiddelde staat op 23,0%. Sinds 2021 is het totaal vrijwel stabiel, maar de samenstelling schoof: volledig thuiswerken zakte van 20,4% naar 11,3%, terwijl soms thuiswerken steeg van 33,5% naar 41,0%. Hybride won. Voor werving betekent dit dat de reisafstand van kandidaten in Nederland minder bepalend is dan waar ook in Europa.
Europa
14 papers
Nederland naast de buren. Elk paper hier zet een Nederlands cijfer naast hetzelfde cijfer voor Belgie, Duitsland, Frankrijk, de Noordse landen of de EU als geheel, op de geharmoniseerde definities van Eurostat.
Werkloosheid is in Nederland vooral een doorgangsfase. Over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026 was gemiddeld 37,0% van de werklozen een kwartaal later aan het werk, ruim een op de drie. Het EU-gemiddelde staat op 23,1%, en alleen Denemarken zit met 39,2% hoger. Op de piek van de krapte lag de Nederlandse uitstroom nog hoger: 41,5% over dezelfde kwartalen in 2022 en 2023. De andere kant is klein maar groeit: het aandeel werkenden dat werkloos raakt, steeg in een jaar van 1,0% naar 1,4% per kwartaal.
Europa telt officieel 2.617 gemelde tekortberoepen en 2.177 overschotberoepen, en dezelfde beroepen staan geregeld in het ene land op de tekortenlijst en in het andere op de overschotlijst. Nederland is een uiterste: 195 tekortberoepen, het op een na hoogste aantal na Italie, tegenover 8 overschotberoepen, vrijwel het laagste van Europa. Er valt hier dus bijna niets binnenlands te herverdelen. Rond 53 miljoen Europese werkenden, ongeveer een kwart van de werkgelegenheid, zit in een beroep met wijdverbreide tekorten of overschotten.
Nergens in de EU duurt het arbeidsleven zo lang als in Nederland: 44,0 verwachte jaren in 2025, tegen 43,4 in Zweden en 37,5 gemiddeld in de EU. Opvallender is het tempo waarin dat gebeurde. In 2000 stond Nederland nog op 35,5 jaar; er kwamen dus 8,5 jaar bij in 25 jaar, vooral door de arbeidsdeelname van vrouwen en het latere pensioen. Voor de vervangingsvraag is dit het zachtste kussen dat er is: mensen werken langer door. Maar het kussen is grotendeels opgebruikt, want veel verder oprekken kan een arbeidsleven nauwelijks.
De Nederlandse economie draait op technologie, maar de werkende bevolking is er dun mee opgeleid. In 2025 had 9,0% van de werkenden een afgeronde opleiding in de STEM-richtingen beta, techniek of ICT, tegen 11,1% gemiddeld in de EU. Nederland staat daarmee 22e van de 30 gemeten landen; Litouwen voert de lijst aan met 15,1%. De voorraad groeit wel, van 748.700 werkenden in 2021 naar 869.500 in 2025, een stijging van 16%. Van hen werkt 65% als vakspecialist en zo'n 12% buiten de kennisberoepen.
Elk plan dat rekent op het activeren van jongeren stuit in Nederland op een lege reserve. Van de 15- tot 29-jarigen was in 2025 5,3% niet aan het werk en niet in opleiding, het laagste aandeel van de EU; het gemiddelde is 11,0% en Zweden volgt op 5,9%. Binnen die kleine groep wil het grootste deel wel: 4,3 van de 5,3 procentpunt zegt te willen werken. De reserve is dus niet onwillig maar dun, en wie er toch uit wil werven, concurreert met heel Europa om het kleinste overschot van het continent.
De Europese vooruitblik op de Nederlandse arbeidsmarkt tot 2035 bevestigt wat de vervangingscijfers al lieten zien, en rekt het door naar het volgende decennium. Van alle verwachte baanopeningen tussen 2022 en 2035 komt 68% voort uit vervanging van vertrekkende werkenden; bij technici en ondersteunende specialisten zelfs 91%. Vakspecialisten nemen 44% van alle openingen voor hun rekening en 72% van de openingen vraagt een hoge kwalificatie, zo'n 12 punten boven het EU-gemiddelde. De beroepsbevolking van 55-plus groeit hier met 16% tot 2035, tegen krap 10% in de EU.
Elk kwartaal vraagt de Europese Commissie bedrijven wat hun productie beperkt. In juli 2026 daalden in de industrie drie van de vier beperkingen: onvoldoende vraag naar 33,9%, het laagste niveau sinds juli 2023, materiaaltekorten naar 12,6% en financiering naar 5,2%. Alleen het tekort aan arbeidskrachten steeg, met 0,6 punt naar 17,1%. In de bouw noemde in december 2025 28,5% van de bedrijven het arbeidstekort een beperking, bijna evenveel als de 31,0% die onvoldoende vraag noemde. De conjunctuur trekt aan, en het eerste dat dan knelt is personeel.
Nergens in de EU stapelen zo veel mensen banen als in Nederland. In 2025 hadden 983.000 werkenden van 15 tot 64 jaar een tweede baan, 10,4% van alle werkenden, tegen een EU-gemiddelde van 4,1%. Denemarken volgt op 9,7%, Duitsland staat op 5,1%. De verklaring ligt dicht bij de deeltijdstructuur: waar hoofdbanen klein zijn, is ruimte om te stapelen. Voor werving is de tweede baan een onderschat signaal: bijna een miljoen mensen laten zien dat ze meer uren kunnen en willen werken dan hun hoofdbaan biedt.
Terwijl de IT-vacaturegraad sinds 2022 fors daalde, bleef het bedrijvenregister de andere kant op bewegen: van 92.620 ICT-bedrijven in 2021 naar 111.713 in 2024, een groei van 21% in drie jaar. De werkgelegenheid in de sector groeide mee naar 386.306 personen in 2023, 8% meer dan in 2021, bij minder dan vier personen per bedrijf. De sector is daarmee 3,8% van de Nederlandse werkgelegenheid, tegen 3,4% gemiddeld in de EU, en 5,3% van de toegevoegde waarde. De groei zit vooral in heel kleine bedrijven, en dat is de eigenlijke bevinding.
Terwijl 77% van de Europese werkgevers in 2019 al moeite had om mensen met de juiste vaardigheden te vinden, is goed gedocumenteerd wat bedrijven daar feitelijk tegen doen schaars. Het Europese onderzoeksbureau voor arbeidsomstandigheden onderzocht het bij 17 organisaties in 13 lidstaten. De maatregelen clusteren in vier groepen: samenwerken met onderwijs en bemiddelaars, meer bieden dan loon alleen, slimmer werven via referrals en bredere zoekgebieden, en selecteren op aanleg in plaats van diploma. Opvallendste bevinding: de wil om internationaal te werven is groter dan het gebruik ervan.
De inhaalslag in de Nederlandse cao-lonen is voorbij zijn top. Na 6,0% groei in 2023 en 6,6% in 2024, het hoogtepunt van de golf, zakte de jaargroei naar 5,0% in 2025 en 3,9% in juli 2026. De eurozone beweegt dezelfde kant op: de loontracker van de ECB, gevoed door cao-akkoorden uit negen landen waaronder Nederland, wijst voor 2026 op 2,3% en voor begin 2027 op 2,7%, tegen 3,2% in 2025. Nederland loont dus nog altijd boven het muntgebied, maar het gat versmalt en de richting is overal omlaag.
Wie de Nederlandse krapte als lokaal probleem leest, mist de helft van het verhaal. In het hele OESO-gebied stond de werkloosheid in mei 2026 op 4,9%, dicht bij het laagste punt sinds het begin van de meting, en bereikten werkgelegenheid en arbeidsdeelname in het eerste kwartaal records van 72,1% en 76,7%. Nederland zit daar met 3,8% werkloosheid in juni nog onder, tegen 6,0% in de EU. Tegelijk groeit de werkgelegenheid trager, 0,3% verwacht voor 2026, en lagen de reele lonen in een derde van de landen nog onder het niveau van begin 2021.
In het vierde kwartaal van 2025 stonden in Nederland 377.000 vacatures tegenover 407.000 werklozen: 93 vacatures per 100 werklozen, de hoogste verhouding van de 24 lidstaten die beide reeksen publiceren. Malta volgt met 80, Duitsland met 66, Roemenie sluit met 6, oftewel achttien werklozen per vacature. Nederland stond op het Europese hoogtepunt van medio 2022 niet eerste maar derde, achter Tsjechie (186) en Duitsland (140). Sindsdien daalde de Nederlandse verhouding met 31%, tegen 53% in Duitsland, 60% in Oostenrijk en 72% in Tsjechie. Elders volgt die daling de economische groei (correlatie 0,70 over 24 landen), maar Nederland groeide over dezelfde periode met 2,1% juist traag. Wat Nederland apart zet is het niveau waarop het blijft hangen: een vacaturegraad van 4,0% tegen een eigen record van 3,3% van voor de pandemie, bij het hoogste deeltijdaandeel van de EU (42,3%).