We use only the cookies needed to run the site and keep you signed in. No analytics, no advertising. Your answer covers anything optional we add later.

Cookie statement
IPMERC Research

Vacatures

2 papers

Aantallen vacatures en vacaturegraden, per sector en land, en wat een vacaturegraad wel en niet meet.

De krapte heet monteur

Augustus 2026

5 min lezen

Van de Nederlandse werkgevers die in het najaar van 2025 hun moeilijkst vervulbare vacature aanwezen, noemde 27% een technisch beroep: monteurs, lassers, verspaners, CNC-operators en engineers. Zorg en welzijn volgt op afstand met 13%. In de bouw was 71% van de ontstane vacatures moeilijk vervulbaar, in de industrie 53%. De vacaturegraad stond in het vierde kwartaal van 2025 in de bouw op 7,0%, in de specialistische zakelijke diensten op 5,0% en in de ICT op 4,8%, tegen 3,9% voor de hele economie. De markt als geheel wordt ruimer, het aandeel moeilijk vervulbare vacatures daalde van 53% in 2023 naar 45% in 2025, maar dat is vooral het verhaal van kantoorberoepen. In Duitsland zakte de vacaturegraad in de ICT naar 2,5%. Het Nederlandse techniektekort is geen Europees noodlot, het is een Nederlands profiel.

De rest zakte harder

September 2026

10 min lezen

In het vierde kwartaal van 2025 stonden in Nederland 377.000 vacatures tegenover 407.000 werklozen: 93 vacatures per 100 werklozen, de hoogste verhouding van de 24 lidstaten die beide reeksen publiceren. Malta volgt met 80, Duitsland met 66, Roemenie sluit met 6, oftewel achttien werklozen per vacature. Nederland stond op het Europese hoogtepunt van medio 2022 niet eerste maar derde, achter Tsjechie (186) en Duitsland (140). Sindsdien daalde de Nederlandse verhouding met 31%, tegen 53% in Duitsland, 60% in Oostenrijk en 72% in Tsjechie. Elders volgt die daling de economische groei (correlatie 0,70 over 24 landen), maar Nederland groeide over dezelfde periode met 2,1% juist traag. Wat Nederland apart zet is het niveau waarop het blijft hangen: een vacaturegraad van 4,0% tegen een eigen record van 3,3% van voor de pandemie, bij het hoogste deeltijdaandeel van de EU (42,3%).