In 2025 telde Nederland 372.000 deeltijders die meer uren willen werken, tegenover 297.000 werklozen. De grootste onbenutte groep op de arbeidsmarkt heeft dus al een baan. Deeltijders geven aan gemiddeld 2 tot 2,5 uur per week extra te willen werken. Bij een klant met twintig deeltijders is dat samen ruim een volledige werkweek, zonder een enkele nieuwe kandidaat.
Krapte
14 papers
Waar de arbeidsmarkt krap is, per sector, beroep en land, en waar die krapte uit bestaat: vacatures tegenover werklozen, gewenste uren tegenover gewerkte uren, en de redenen die werkgevers noemen als een vacature open blijft.
Van de 9,42 miljoen Nederlandse werkenden tussen 15 en 64 jaar zijn er 1,87 miljoen tussen 55 en 64: 19,9%. Zij verlaten de arbeidsmarkt binnen ongeveer tien jaar. Dat is geen conjunctuur en geen groeiscenario, het is een leeftijdsopbouw die al vaststaat. De vraag naar personeel die daaruit voortkomt bestaat ongeacht wat de economie doet, terwijl de instroom die haar zou moeten opvangen kleiner is dan de uitstroom.
Tussen medio 2022 en medio 2025 daalde de Nederlandse vacaturegraad van 5,1% naar 4,2%. Dat gemiddelde verbergt het eigenlijke verhaal. In ICT zakte de graad van 8,2% naar 5,1%, in handel en horeca van 6,6% naar 4,7%. In de bouw ging hij van 7,5% naar 7,4% en in de zorg van 4,4% naar 4,3%. Twee sectoren koelden vrijwel niet af, en dat zijn precies de sectoren waar productie niet uitgesteld of geautomatiseerd kan worden.
De bouw heeft tussen 2026 en 2029 75.000 nieuwe voltijds arbeidskrachten nodig, waarvan het onderwijs er ongeveer 50.000 kan leveren en 25.000 uit zij-instroom moet komen. De netbeheerders hebben tot 2029 28.000 technici nodig, waarvan 23.000 bij aannemers. In de zorg raamt men een tekort van 155.000 in 2032, tegen 37.000 in 2021. Dit zijn de drie sectoren waar de vacaturegraad sinds 2022 vrijwel niet daalde.
De Nederlandse IT-arbeidsmarkt koelt af sinds 2023. Toch groeide het aantal werkenden in IT-beroepen in het tweede kwartaal van 2026 met 36.000 op jaarbasis, de sterkste stijging van alle beroepsgroepen. Die cijfers spreken elkaar niet tegen: de markt normaliseert na een uitzonderlijke piek, maar het knelpunt is verschoven van aantal naar aansluiting. In 2024 lukte het 63% van de bedrijven die IT-personeel zochten niet om alle vacatures te vullen.
In 2024 kocht 71,0% van de Nederlandse bedrijven met tien of meer werknemers betaalde clouddiensten in. In datzelfde jaar had 29,7% van die bedrijven een ICT-specialist in dienst. In 2025 draaide 55,4% van de Nederlandse bedrijven een database of bestandsopslag bij een cloudaanbieder, tegen 24,0% in de Europese Unie als geheel, en alleen Denemarken zit daarboven met 55,5%. Migratie weg bij die diensten is ICT-werk. Van de Nederlandse bedrijven die in 2024 een ICT-specialist zochten, hield 63,1% een vacature over die niet ingevuld raakte, en de meest genoemde oorzaak was dat er niemand solliciteerde. Toen de Autoriteit Consument en Markt 420 zakelijke cloudgebruikers ondervroeg, bleek dat 172 van hen ooit hebben geprobeerd van aanbieder te wisselen. Bij 52 daarvan lukte het niet, oftewel 30,2% van alle pogingen. Van de bedrijven bij wie het wel lukte, deed 52,5% dat met een tussenpartij.
In het vierde kwartaal van 2024 waren van de 93 beoordeelde beroepsgroepen er 34 krap en 56 zeer krap; 2 waren gemiddeld en 1 was ruim. Voor 32 van de 112 groepen voorspelt het ROA verdere verkrapping tot 2030. Wat die groepen onderscheidt is zelden banengroei en meestal vertrek: gemiddeld moet 2,8% van de werkenden per jaar worden vervangen, bij slagers 8,1%, de hoogste van alle beroepsgroepen, en bij adviseurs marketing, public relations en sales 1,1%. Slagers kennen vrijwel geen banengroei en blijven toch krap; de adviseurs worden iets minder krap. Vertegenwoordigers en inkopers krimpen met 1.900 werkenden en blijven niettemin aan de krappe kant. De drie beoordeelde ICT-groepen, samen 518.400 werkenden, waren eind 2024 alle zeer krap en worden tot 2030 alle iets minder krap; bij gebruikersondersteuning ict was dat in het derde kwartaal van 2025 al zichtbaar. Bij vijf technische beroepsgroepen is de voorspelde afkoeling in dat kwartaal juist nog niet terug te zien in de Spanningsindicator.
Krapte op de arbeidsmarkt is geen conjunctuurverschijnsel meer. De Nederlandsche Bank concludeerde in 2024 dat het arbeidsaanbod door vergrijzing tot 2040 vrijwel niet meer groeit. Als het aanbod niet meegroeit, past de vraag zich aan: bedrijven schalen werk af, verhogen de prijs of automatiseren. In de zakelijke dienstverlening gebeurt dat nu al. Kwantitatief is het gat bijna gedicht, kwalitatief is het groot.
Van de Nederlandse werkgevers die in het najaar van 2025 hun moeilijkst vervulbare vacature aanwezen, noemde 27% een technisch beroep: monteurs, lassers, verspaners, CNC-operators en engineers. Zorg en welzijn volgt op afstand met 13%. In de bouw was 71% van de ontstane vacatures moeilijk vervulbaar, in de industrie 53%. De vacaturegraad stond in het vierde kwartaal van 2025 in de bouw op 7,0%, in de specialistische zakelijke diensten op 5,0% en in de ICT op 4,8%, tegen 3,9% voor de hele economie. De markt als geheel wordt ruimer, het aandeel moeilijk vervulbare vacatures daalde van 53% in 2023 naar 45% in 2025, maar dat is vooral het verhaal van kantoorberoepen. In Duitsland zakte de vacaturegraad in de ICT naar 2,5%. Het Nederlandse techniektekort is geen Europees noodlot, het is een Nederlands profiel.
Van de Nederlandse werkgevers met externe vacatures verrichtte 65% in het najaar van 2025 extra inspanningen om personeel te vinden. De volgorde is een ladder. Bovenaan staan de goedkope treden: vacatures via meer kanalen verspreiden (54%), via het eigen netwerk werven (52%) en kandidaten aannemen die nog opgeleid moeten worden (52%). Daaronder de arbeidsvoorwaarden (34%). Pas dan volgt de buitendeur: 22% huurt vaker uitzendkrachten, gedetacheerden of freelancers in en 21% zet vaker een recruiter, wervingsbureau of headhunter in. In de industrie liggen beide externe routes boven het gemiddelde. Op de piek van de krapte, in het najaar van 2021, schakelde de helft van de werkgevers met moeilijk vervulbare vacatures een uitzendbureau, wervingsbureau of headhunter in. Wie als bureau een opdracht binnenkrijgt, krijgt gemiddeld een vacature waar de markt al op is uitgekeken: 87% van de werkgevers met wervingsproblemen kreeg te weinig reacties.
Europa telt officieel 2.617 gemelde tekortberoepen en 2.177 overschotberoepen, en dezelfde beroepen staan geregeld in het ene land op de tekortenlijst en in het andere op de overschotlijst. Nederland is een uiterste: 195 tekortberoepen, het op een na hoogste aantal na Italie, tegenover 8 overschotberoepen, vrijwel het laagste van Europa. Er valt hier dus bijna niets binnenlands te herverdelen. Rond 53 miljoen Europese werkenden, ongeveer een kwart van de werkgelegenheid, zit in een beroep met wijdverbreide tekorten of overschotten.
Elk kwartaal vraagt de Europese Commissie bedrijven wat hun productie beperkt. In juli 2026 daalden in de industrie drie van de vier beperkingen: onvoldoende vraag naar 33,9%, het laagste niveau sinds juli 2023, materiaaltekorten naar 12,6% en financiering naar 5,2%. Alleen het tekort aan arbeidskrachten steeg, met 0,6 punt naar 17,1%. In de bouw noemde in december 2025 28,5% van de bedrijven het arbeidstekort een beperking, bijna evenveel als de 31,0% die onvoldoende vraag noemde. De conjunctuur trekt aan, en het eerste dat dan knelt is personeel.
Wie de Nederlandse krapte als lokaal probleem leest, mist de helft van het verhaal. In het hele OESO-gebied stond de werkloosheid in mei 2026 op 4,9%, dicht bij het laagste punt sinds het begin van de meting, en bereikten werkgelegenheid en arbeidsdeelname in het eerste kwartaal records van 72,1% en 76,7%. Nederland zit daar met 3,8% werkloosheid in juni nog onder, tegen 6,0% in de EU. Tegelijk groeit de werkgelegenheid trager, 0,3% verwacht voor 2026, en lagen de reele lonen in een derde van de landen nog onder het niveau van begin 2021.
In het vierde kwartaal van 2025 stonden in Nederland 377.000 vacatures tegenover 407.000 werklozen: 93 vacatures per 100 werklozen, de hoogste verhouding van de 24 lidstaten die beide reeksen publiceren. Malta volgt met 80, Duitsland met 66, Roemenie sluit met 6, oftewel achttien werklozen per vacature. Nederland stond op het Europese hoogtepunt van medio 2022 niet eerste maar derde, achter Tsjechie (186) en Duitsland (140). Sindsdien daalde de Nederlandse verhouding met 31%, tegen 53% in Duitsland, 60% in Oostenrijk en 72% in Tsjechie. Elders volgt die daling de economische groei (correlatie 0,70 over 24 landen), maar Nederland groeide over dezelfde periode met 2,1% juist traag. Wat Nederland apart zet is het niveau waarop het blijft hangen: een vacaturegraad van 4,0% tegen een eigen record van 3,3% van voor de pandemie, bij het hoogste deeltijdaandeel van de EU (42,3%).